Opgelet toeslagschulden! Met bijstand gaan samenwonen of uit elkaar gaan

Bron: André Moerman
uur

Burgers die het hele jaar een bijstandsuitkering ontvangen, mogen verwachten dat zij voor maximale toeslagen in aanmerking komen. Dit blijkt echter niet het geval wanneer ze gedurende het jaar gaan trouwen, samenwonen of scheiden. Dan gaat het mis en moeten ze toeslagen terugbetalen. De Raad van State heeft eerder geoordeeld dat een terugvordering van toeslagen vanwege een inkomensstijging na het vertrek van een partner of medebewoner in strijd is met het discriminatieverbod uit het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt nu dat hetzelfde geldt voor mensen die gaan samenwonen.


Uit elkaar gaan
Als twee bijstandsgerechtigden gehuwd zijn of samenwonen, dan is de hoogte van hun uitkering gelijk aan 100 procent van het minimumloon. Fiscaal wordt de uitkering gesplitst (ieder 50%). Als ze vervolgens uit elkaar gaan, ontvangt elk een uitkering volgens de alleenstaandennorm (70% van het minimumloon). Voor de berekening (die nu eenmaal aan het eind van het kalenderjaar gebeurt) van de toeslag over de maanden van samenwonen, telt ook het hogere inkomen mee van de periode ná dat samenwonen (2x70%). Dit heeft tot gevolg dat een lagere toeslag wordt verstrek. Halverwege het jaar uit elkaar gaan levert het meeste nadeel op en op 1 januari uit elkaar gaan, dan is er niets aan de hand, zo is ook zichtbaar in de volgende grafiek.


Uitspraak Raad van State
De Raad van State heeft in een tweetal uitspraken over deze kwestie geoordeeld. De eerste uitspraak betrof de situatie dat een zoon het ouderlijk huis verliet. Pas na vertrek heeft hij inkomen verworven waarvan de ouders niet geprofiteerd hebben, maar wat wel tot een terugvordering van de huurtoeslag heeft geleid (ECLI:NL:RVS:2016:865). In de tweede uitspraak betrof het een partner die het huis heeft verlaten en die na vertrek is gaan werken (ECLI:NL:RVS:2016:2839).
In beide uitspraken komt de Raad van State tot het oordeel dat de belastingdienst in strijd heeft gehandeld met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen een partner of een kind wiens inkomen het hele jaar hetzelfde is en een partner of een kind wiens inkomen na vertrek stijgt, maar waarvan de toeslagaanvrager niet heeft kunnen profiteren. Volgens de Raad van state bestaat er voor dit onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging.


10%-regeling
N.a.v. de uitspraak van de Raad van State is de eerder afgeschafte ‘10%-regeling’ weer van kracht geworden. Volgens deze regeling kan op verzoek een deel van het inkomen van de partner of medebewoner dat is genoten ná vertrek buiten beschouwing blijven, het inkomen tijdens de toeslagperiode wordt dan tijdsevenredig omgerekend naar een jaarinkomen. Voorwaarde is wel dat het toetsingsinkomen hierdoor minimaal 10% lager wordt.

Bijvoorbeeld
Faysel moet toeslagen terugbetalen. Hij en Yasmien zijn per 1 maart uit elkaar gegaan. Yasmien had  in januari en februari een bruto inkomen van € 500 per maart. Vanaf 1 maart heeft ze een bruto inkomen van €1200 per maand.
Bij de vaststelling van het recht op toeslagen is de belastingdienst uitgegaan van het toetsingsinkomen van Yasmien van € 13.000 (= 2 x 500 + 10 x 1200). Het herleid toetsingsinkomen bedraagt € 6.000 (= 12 x € 500).
Het verschil is minimaal 10% zodat de belastingdienst op verzoek uitgaat van een toetsingsinkomen van € 6000.


Gaan samenwonen
Een vergelijkbaar probleem is ook aanwezig wanneer mensen met een bijstandsuitkering gaan samenwonen. Als alleenstaanden ontvangen ze elk 70 procent van het minimumloon. Als ze vervolgens gaan samenwonen, ontvangen ze samen een uitkering naar de echtparennorm (100% = 2 x 50%). Het gezamenlijk netto jaarinkomen gaat dus omlaag. Voor de berekening (aan het eind van het kalenderjaar) van de toeslag in de ‘samenwoonperiode’ telt echter ook het hogere inkomen in de periode vóór samenwonen (2x70%) mee. Dit heeft als gevolg dat het gezamenlijk jaarinkomen in totaal dat jaar ‘hoger’ is (dan wanneer ze een hele jaar hadden samengewoond) en er dus een lagere toeslag wordt verstrekt. Evenals bij uit elkaar gaan levert het halverwege het jaar gaan samenwonen het meeste nadeel op.


Uitspraak rechtbank Midden-Nederland
De 10%-regeling is niet van toepassing op de nadelen als gevolg van samenwonen. De rechtbank Midden-Nederland moest oordelen over een terugvordering huurtoeslag van € 157 als gevolg van het gaan samenwonen van twee alleenstaande bijstandsgerechtigden per 1 december. Volgens de rechtbank is deze situatie eveneens sprake van handelen in strijd met het discriminatieverbod. De rechtbank oordeelt als volgt:

8. In zowel het geval van eiser als het geval waarmee hij op een lijn wil worden gesteld ontvangt de belanghebbende toeslagen en heeft deze voor in elk geval een deel van het berekeningsjaar een toeslagpartner. In beide gevallen bestaat het inkomen het gehele jaar uit een bijstandsuitkering. In de situatie van eiser en zijn toeslagpartner bestaat het inkomen over het toeslagjaar voor een (groot) gedeelte uit een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande en voor een (klein) gedeelte uit een bijstandsuitkering naar de norm van een echtpaar. Het voor de toeslagen in aanmerking nemen van het verschil in de hoogte van het bedrag tussen een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande en de norm van een echtpaar dat aan eiser en toeslagpartner wordt uitgekeerd, is een onderscheid ten opzichte van het door eiser aangeduide geval waarmee hij op een lijn wil worden gesteld. Hoewel in beide situaties het inkomen uit een bijstandsuitkering bestaat, is bij eiser, anders dan in het door hem ter vergelijking aangedragen geval, een hoger inkomen voor een gedeelte van het toeslagjaar in aanmerking genomen. Eiser heeft door het gemaakte onderscheid wezenlijk nadeel ondervonden, omdat hij een bedrag ter hoogte van € 157,- aan verweerder moet terugbetalen.

9. Nu vaststaat dat verweerder onderscheid maakt in de behandeling van twee in relevante opzichten vergelijkbare gevallen, en eiser ten gevolge van dat onderscheid wezenlijk nadeel heeft ondervonden, ligt de vraag voor, of het gemaakt onderscheid gerechtvaardigd is. Artikel 26 van het IVBPR verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van in relevante opzichten gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd omdat voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat (zie Raad van State van 26 oktober 2016,
ECLI:NL:RVS:2016:2839).

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het in aanmerking nemen van het inkomen van eiser en zijn toeslagpartner over de maanden januari tot en met november 2019, dat bij elkaar opgeteld hoger was dan hun gezamenlijke inkomen over de maand december 2019, een onevenredig middel heeft toegepast, omdat eiser niet heeft geprofiteerd van dat hogere inkomen. Het gemaakte onderscheid kan niet worden gerechtvaardigd. Toepassing van artikel 7. eerste lid, van de Awir is daarom in het geval van eiser onverenigbaar met het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR. Gelet op artikel 94 van de Grondwet had verweerder artikel 7. eerste lid van de Awir buiten toepassing moeten laten voor zover deze bepaling betrekking heeft op een situatie waarin de inkomensdaling is ontstaan doordat de toeslaggerechtigde en zijn toeslagpartner eerst een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ontvangen en daarna samen een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm van een echtpaar.


De belastingdienst heeft hoger beroep aangetekend.


Meer informatie
- Rb Midden-Nederland 7 september 2021, zaaknummer: UTR 21/671
- RvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:865
- RvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2839
- De 10%-regeling voor toeslagen - zo werkt het
- Uitkeringsgerechtigden lopen toeslagen mis. Verroer je niet! (Sociaal Bestek december 2009)
- Achtergrondinfo toeslagen terugbetalen