Gratis lenen bij Hoist Kredit AB

Bron: André Moerman
uur

Geldlenen kost geld. Maar hoe zit het wanneer de kredietvergoeding of het rentepercentage niet in de overeenkomst is vermeld? Is dan wel of geen rente verschuldigd? De rechtbank Den Bosch oordeelt als volgt.


Vordering
Hoist heeft een vordering ingesteld bij de kantonrechter om aan haar te betalen een bedrag van € 1.162,33, vermeerderd met primair de contractuele rente ad 16,00% per jaar en subsidiair de wettelijke rente over een bedrag van € 983,27, vanaf 20 maart 2012 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
Het bedrag van € 1.162,33 bestaat uit een hoofdsom van € 983,27 en € 179,06 aan reeds verschenen rente.

Cessie
De vordering van Hoist is oorspronkelijk van RBS B.V., voorheen genaamd Comfort Financieringen Nederland B.V. (hierna: RBS). RBS heeft aan gedaagden een lening verstrekt die in maandelijkse termijnen moest worden terugbetaald. Gedaagden zijn echter tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst, zodat het restantsaldo ad. € 983,27 ineens opeisbaar is geworden. RBS heeft deze vordering middels een akte van cessie overgedragen aan Hoist. Omdat gedaagden thans in verzuim verkeren zijn zij ook de contractuele vertragingsvergoeding van 16,00% per jaar over het openstaande saldo verschuldigd.

Verweer: geen rente afgesproken
Het meest verstrekkende verweer van gedaagden tegen de hoogte van de vordering is dat er geen rentepercentage is afgesproken. Gedaagden hebben aangevoerd dat nergens in het contract of in de algemene voorwaarden iets over de door Hoist in rekening gebrachte rente staat vermeld, terwijl steeds hoge rentebedragen in rekening zijn gebracht.
Volgens Hoist is de contractuele rente gebaseerd op de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK).

Overweging kantonrechter
Artikel 30 lid 1 WCK bepaalt dat een overeenkomst die een krediettransactie vormt of tot een zodanige transactie behoort en waarbij een kredietnemer partij is, wordt aangegaan bij een door of namens alle partijen ondertekende onderhandse of notariële akte. Ingevolgeartikel  30 lid 3 WCK dient deze akte de kredietvergoeding en het kredietvergoedingspecentage te bevatten. Voorts bepaalt artikel 5.1 van de algemene voorwaarden dat de kredietvergoeding moet zijn opgenomen in de kredietovereenkomst. In de onderhavige overeenkomst, bij verweer overgelegd door gedaagden, is enkel de bestedingslimiet beschreven. Noch de kredietvergoeding, noch het kredietvergoedingspercentage zijn in de akte vermeld.

De vordering van Hoist omvat het ter beschikking gestelde krediet en de daarover
berekende kredietvergoeding. De kantonrechter begrijpt het verweer van gedaagden aldus dat zij bedoelen te stellen dat hun over de afgelopen jaren te veel aan rente in rekening is gebracht. In dat geval is het aan Hoist om de juistheid van de door haar berekende kredietvergoeding aan te tonen, vooreerst door aan te tonen welk kredietvergoedingspercentage tussen partijen is overeengekomen. (…)

Uit de akte van de onderhavige overeenkomst blijkt niet welk kredietvergoedingspercentage is overeengekomen. In dat geval kan op grond van de inhoud van die akte niet worden beoordeeld of Hoist een juist bedrag aan kredietvergoeding heeft berekend, hetgeen gedaagden betwisten. Bij akte heeft Hoist nog wel aangevoerd dat de berekende kredietvergoeding berust op de WCK (wettelijke rente plus 4%), maar bepalend voor de verschuldigdheid van de kredietvergoeding is wat partijen zijn overeengekomen en dat partijen dit zijn overeengekomen, volgt niet uit de akte van de overeenkomst. De slotsom is dan dat Hoist niet heeft aangetoond welk percentage voor de berekening van een kredietvergoeding is overeengekomen.

Bewijsaanbod
Hoist heeft bij dagvaarding in het algemeen bewijs van haar stellingen aangeboden. Voor zover zij daartoe schriftelijk bewijs wil leveren, passeert de kantonrechter dat aanbod. Op grond van artikel 111, lid 3 Rv. dient Hoist in haar dagvaarding te vermelden over welke bewijsmiddelen zij beschikt. Nu zij niet heeft vermeld te beschikken over een door beide partijen ondertekende akte die een kredietvergoedingspercentage vermeldt, is niet gebleken dat Hoist ter zake het haar op te dragen bewijs schriftelijk bewijs kan leveren en bestaat geen grond haar daar nog tot toe te laten.
Het aanbod om getuigen te horen is te weinig specifiek, nu Hoist niets heeft vermeld ten aanzien van de persoon van de te horen getuigen, noch omtrent hetgeen zij ter zake zouden kunnen verklaren. Om die reden zal ook het aangeboden getuigenbewijs worden gepasseerd.

Beslissing
De slotsom blijft dan ook dat Hoist in rechte niet heeft aangetoond welk kredietvergoedingspercentage is overeengekomen. Uit het overzicht van betalingen volgt dat gedaagden veel meer aan Hoist hebben betaald dan hun aan krediet is verleend. In hoeverre zij nu nog meer verschuldigd zijn, kan in rechte niet worden beoordeeld. Aldus kan niet worden vastgesteld dat gedaagden het thans gevorderde bedrag nog verschuldigd zijn geworden. Wanneer de grondslag voor de vordering in rechte niet kan worden vastgesteld, kan het gevorderde niet worden toegewezen.

Het voorgaande leidt dan tot na te melden beslissing. Hoist heeft daarbij als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden veroordeeld in de kosten van dit geding, welke kosten aan de zijde van gedaagden begroot worden op nihil, nu zij zonder bijstand van een gemachtigde hebben geprocedeerd en gesteld noch gebleken is dat zij anderszins kosten hebben gemaakt in het kader van deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.

De kantonrechter:

wijst de vordering af

Meer informatie
- Rb Den Bosch 16 augustus 2012, LJN: BX4540 


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn