Gestuntel met gekochte vorderingen

Bron: André Moerman
uur

Incassobureaus kopen in grote getalen vorderingen van schuldeisers om deze vervolgens zelf te innen. Dit wordt ook wel ‘factoring’ genoemd. De band tussen de oorspronkelijke schuldeiser en schuldenaar wordt doorbroken, met op zichzelf onwenselijke gevolgen. Maar ook voor de opkoper is factoring niet zonder risico’s. Menig juridische procedure strandt omdat er fouten worden gemaakt m.b.t. de stelplicht en bewijslast van de overdracht (cessie) van de vordering. Of er zijn problemen met het aantonen van de overeenkomst tusen de oorspronkelijke schuldeiser en de gedaagde. Een voorbeeld.

De vordering
Intrum Justitia (hierna Intrum) heeft een vordering met een hoofdsom van € 823,81 en € 12,89 rente en € 150,00 aan incassokosten. Intrum baseert haar vordering op een van Vodafone ‘gekochte’ vordering die op haar beurt het gevolg is van een tussen Vodafone en gedaagde gesloten telefoonabonnement. Ter zake van de bewuste overeenkomst heeft gedaagde een betalingsachterstand laten ontstaan tot een bedrag van € 823,81. Vodafone heeft vervolgens ‘wegens niet-nakoming door gedaagde’ de overeenkomst tussentijds ontbonden resulterend in een ‘schadenota’ of ‘slotnota’ waarvan inhoud en uitkomst niet in de dagvaarding beschreven zijn.

Intrum weerspreekt de uitdrukkelijke betwisting van gedaagde dat zij ooit een abonnement bij of een contract met Vodafone gehad heeft, op wel zeer curieuze wijze. Ze begint haar repliek met de (ook grammaticaal verre van onberispelijke) bewering: “Tussen partijen staat als onbetwist vast dat zij in de inleidende dagvaarding vermelde overeenkomst met elkaar hebben gesloten”. Ze heeft het over een door Vodafone aangegane overeenkomst met een persoon die zij in het vervolg van de repliek met het persoonlijke voornaamwoord ‘hij’ aanduidt, terwijl gedaagde onmiskenbaar van vrouwelijk geslacht is. Ze verwijst vervolgens louter naar vier producties, die zij uitlegt noch beschrijft. Wel stelt zij dat de overeenkomst voor een ‘bundel ad € 27,50’ van 9 november 2009 zou dateren en (in eerste instantie) voor een periode van 24 maanden zou gelden. Zonder verwijzing naar enig daarop betrekking hebbend stuk wordt in de repliek opgemerkt dat Vodafone ‘per 9 november 2010’ tot ontbinding ‘voor de toekomst’ overgegaan is. Die ontbinding was gegrond op ‘de tekortkoming in de nakoming aan de zijde van gedaagde’ en rechtvaardigde de in rekening gebrachte ‘schadevergoeding’ (waarvan in de repliek de omvang net zo min aangeduid is als dit in het exploot het geval was; wel wordt getracht het verhalen van schade als zodanig van een in algemene termen getoonzette rechtvaardiging te voorzien).

Het verweer
Het verweer luidt kort en goed dat gedaagde nooit een telefoonabonnement bij Vodafone gehad heeft en dat zij geen overeenkomst met Vodafone aangegaan is. Materiaal dat Intrum als vermeend rechthebbende bij repliek over de door haar gestelde overeenkomst ingebracht heeft, heeft gedaagde niet tot een andere opvatting gebracht; zij volhardt pertinent.

De beoordeling
Bij een dergelijke stand van het processuele debat dient de kantonrechter na te gaan of er relevant te achten feiten zijn komen vast te staan dan wel zich - bij onenigheid daarover - voor bewijslevering lenen, zodat die (bewezen) feiten kunnen bijdragen aan de onderbouwing van een of meer van de vorderingen van Intrum. Het een noch het ander is het geval. Eigenlijk zou de vordering van Intrum voorafgaand aan een bespreking van het enige geschilpunt tussen partijen al moeten sneuvelen op het ontbreken van aanwijzingen dat zij als rechthebbende in de plaats getreden kan zijn van Vodafone. Dit ongeacht de vraag of Vodafone zelf een rechtsvordering uit een telefonieovereenkomst jegens gedaagde gehad heeft. Intrum stelt immers niet dat zij door cessie en door betekening van die leveringshandeling aan de veronderstelde debiteur op de voet van artikel 3:94 BW eigenares geworden is van een of meer rechten op naam van Vodafone jegens gedaagde. Zij heeft het in het exploot slechts over de verbintenisrechtelijke kooptitel die tot die eigendomsoverdracht had kunnen leiden. Zij heeft de ‘vordering gekocht’ en Vodafone heeft de ‘opeisbare vordering verkocht’ en verbindt daaraan de onterechte gevolgtrekking - en wel zonder de leveringshandeling te noemen en te concretiseren - dat zij ‘daardoor eigenaresse is geworden van deze vordering’.

Ten overvloede
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat Intrum ook de kwestie van het contracteren op het niveau van Vodafone en de afnemer van haar diensten wat al te laconiek opvat en haar processuele stelplicht in het licht van de pertinente betwisting door gedaagde schromelijk veronachtzaamt. Zij volstaat met het inbrengen van een reeks gefotokopieerde gegevens, waarvan zij lijkt te veronderstellen dat deze voor zichzelf kunnen spreken. Producties behoren echter altijd te worden toegelicht. De volgens een partij relevante onderdelen van zulke stukken dienen in een logisch betoog over de aan een vordering ten grondslag gelegde feiten terug te keren. Als het dus gaat om de vraag of wel of niet door de gedaagde ergens in november 2009 een belabonnement bij Vodafone aangegaan is, zal Intrum (als beweerd rechtopvolgster onder bijzondere titel van de provider) relevante omstandigheden moeten stellen die kunnen bijdragen aan het bewijs van zo’n overeenkomst. Zoals daar zijn:
- de plaats en de wijze van contracteren;
- de precieze datum en/of tijd;
- de betrokken personen;
- de wijze waarop de identiteit van de consument door Vodafone vastgesteld is;
- de wijze waarop de handtekening gecontroleerd is;
- de essentie van de inhoud van de overeenkomst;
- of en hoe de toepasselijkheid van aanvullende voorwaarden bedongen is;
- of/welke hardware aan de consument beschikbaar gesteld is;
- aangevuld met gegevens over de verdere uitvoering van de overeenkomst die een aanwijzing zouden kunnen leveren voor de identiteit van de contractpartij.

Intrum laat dit allemaal achterwege en geeft zelfs geen verklaring voor het adres van de persoon op wiens naam alle door haar in kopie geproduceerde stukken staan. Als zij opmerkt dat ‘bij het aangaan van de overeenkomst’ (wanneer en hoe?) ‘een nieuw mobiel telefoontoestel’ om niet verstrekt is, ontbreekt iedere nadere specificatie. Als zij stelt dat gedaagde (‘hij’) ‘gebruik heeft gemakt’ van diensten van Vodafone en ‘meerdere betalingen verricht’ heeft, wordt dit niet uitgewerkt. Kortom: bij een dergelijke gebrekkige naleving van de stelplicht leent een op het bestaan van een overeenkomst gebaseerde vordering zich slechts voor afwijzing.

Als in het ongelijk gestelde partij dient Intrum verwezen te worden in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde bepaald worden op € 25,00 aan kosten van verlet en reizen.

De beslissing
De vordering wordt afgewezen.
Intrum wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van gedaagde bepaald op een bedrag van € 25,00 dat binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, althans na opgave van een aan haar toebehorende bankrekening, voldaan dient te worden.

Het vonnis wordt voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,
en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesp roken.

Nog meer gestuntel
- Rb Maastricht 31 augustus 2011, LJN:BW8123
- Rb Roermond 20 december 2011, LJN: BV0464
- Rb Utrecht 17 augustus 2011, LJN:BR5524
- Rb Arnhem 29 april 2011, LJN:BQ3913
- Rb Maastricht 30 maart 2011, LJN:BQ0567
- Rb Maastricht 22 december 2010, LJN:BP1633


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn