Bewindvoerder aansprakelijk voor immateriële schade

Bron: André Moerman
uur

Bewindvoerder zijn is een grote verantwoordelijkheid. Je bent verantwoordelijkheid voor alle betalingen, je moet alle regelingen en voorzieningen aanvragen, de beslagvrije voet bewaken, betalingsregelingen nakomen, etc. Je neemt als het ware het financiële huishouden van de onder bewind gestelde over. Het bewind moet zorgen voor stabiliteit en rust, hetgeen juist bij psychisch kwetsbare mensen van groot belang is. Worden er fouten gemaakt dan is de bewindvoerder aansprakelijk. Ook voor de psychische gevolgen, zo oordeelt de rechtbank Noord-Holland.






Wat er aan voorafging
De onder bewind gestelde heeft om een nieuwe bewindvoerder gevraagd en dit verzoek is gehonoreerd.  Deze nieuwe bewindvoerder heeft de vorige bewindvoerder aansprakelijk gesteld omdat er het nodige mis is gegaan. De bewindvoerder vraagt om zowel de materiële als de immateriële schade te vergoeden


Materiële schade
Als materiële schade worden de volgende kostenposten door de rechter gehonoreerd:

  • Er is geen verzekering afgesloten voor de scooter hetgeen tot een boete met verhogingen heeft geleid ad. € 999,--.
  • Extra verhoging vanwege het niet op tijd betalen van de zorgverzekeringen (€ 78,88) en de energierekening (€ 60,-).
  • Vanwege het in ernstige mate tekortschieten als bewindvoerder door het niet zorgdragen voor een sluitend budget en het niet tijdig voldoen van betalingen terwijl er sprake was van een stabiel inkomen, is de kantonrechter van oordeel dat één maand kosten beschermingsbewind ad. € 147,62 als schade moet worden toegewezen.
  • De nieuwe bewindvoerder heeft 7,5 uur aan extra werk moeten besteden om uit te zoeken in hoeverre de vorige bewindvoerder in haar taak is tekort geschoten. De rechter wijst deze kosten ad. € 615,30 als schade toe.


Immateriële schade
De bewindvoerder vraagt ook om toewijzing van immateriële schade. In de praktijk wordt dit vanwege strenge eisen die de wet stelt, niet snel toegewezen. In dit geval was sprake van een psychose als gevolg van een huisuitzetting. Wat er precies is gebeurd wordt overigens niet toegelicht.

De rechter overweegt hierover het volgende:
“Ten slotte stelt de huidige bewindvoerder dat betrokkene immateriële schade heeft geleden. De gehele handelwijze, het feit dat OBIN haar werk niet naar behoren heeft verricht, de afsluitingen van de nutsvoorzieningen, het feit dat er tijdens het bewind twee keer sprake is geweest van een huisuitzetting hebben ertoe geleid dat betrokkene nadat hij het bericht over de tweede huisuitzetting hoorde onmiddellijk in een psychose terecht is gekomen en hij daarbij suïcidale neigingen kreeg. Dit brengt mee dat er volgens de huidige bewindvoerder sprake is van immateriële schade. De huidige bewindvoerder meent dan ook dat OBIN door dit handelen een bedrag van € 2.500, - aan betrokkene is verschuldigd.

In het verweerschrift geeft OBIN aan dat het voor haar onmogelijk is te beoordelen of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen het bewind en de genoemde problemen. Voor immateriële schadevergoeding is volgens OBIN geen ruimte.

Artikel 6:106 BW regelt onder welke voorwaarden een benadeelde aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding. Er kan slechts aanspraak bestaan op immateriële schadevergoeding indien er een grondslag is voor aansprakelijkheid van de veroorzaker, zoals in het onderhavige geval een toerekenbare tekortkoming. Als de aansprakelijkheid vast staat, kent het Nederlandse recht slechts onder bepaalde voorwaarden een aanspraak op vergoeding voor nadeel niet zijnde vermogensschade (immateriële schadevergoeding) aan de benadeelde toe.
Op basis van artikel 6:106 BW kan iemand aanspraak maken op een dergelijke schadevergoeding:

 

  • indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen,
  • indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast of,
  • indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.

De kantonrechter is van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat betrokkene psychisch nadeel heeft geleden en dat hij op grond van art. 6:106 lid 2 BW op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Ondanks dat er sprake was van een stabiel inkomen is er door OBIN geen sluitend budgetplan opgesteld en zijn er aan andere betalingen dan huurbetalingen prioriteiten gegeven. Dit heeft geleid tot twee uithuiszettingen tijdens het gevoerde bewind door OBIN. Deze uithuiszettingen hadden voorkomen kunnen worden. Als niet weersproken staat vast dat toen betrokkene, in het bijzijn van anderen, voor de tweede keer hoorde dat hij uit zijn huis werd gezet, hij in een psychose schoot en zelfmoord wilde plegen. Een dergelijke psychische storing is zo ernstig dat deze een aantasting in de persoon oplevert zoals bedoeld in het hiervoor aangehaald artikel.

De hoogte van de immateriële schade stelt de kantonrechter naar billijkheid vast op € 750,-."


In totaal wordt € 2.650,80 als schadebedrag toegewezen.


Meer informatie
- Rb Noord-Holland 22 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:5026
- Meer jurisprudentie over klachten, aansprakelijkheid en ontslag