Banksaldo bij aanvang WSNP mag deels vrijgelaten worden

Bron: André Moerman
uur

Na toelating tot de WSNP valt het gehele vermogen in de boedel, naar de letter van de wet, ook het banksaldo dat bedoeld is voor de lopende maandelijkse verplichtingen. In de praktijk wordt deze regel door de rechter-commissarissen verschillend toegepast, variërend van alles valt in de boedel, tot een bedrag vrijlaten voor de maandelijkse verplichtingen. Heb je pech en tref je een rechter-commissaris die streng in de leer is, dan begint het WSNP-traject met een nieuwe schuld.

De Hoge Raad geeft nu duidelijkheid. De WSNP-bewindvoerder mag, zolang de debiteur nog niet beschikt over het vrij te laten bedrag, een deel van het saldo vrijlaten voor de kosten van levensonderhoud en vaste lasten.





De Hoge Raad overweegt het volgende:

4.2.2
Bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling verliest de schuldenaar de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken (art. 296 lid 1 Fw). De schuldenaar is verplicht om alle goederen die tot de boedel behoren op verzoek van de bewindvoerder aan hem ter beschikking te stellen (art. 296 lid 2 Fw). De boedel omvat alle goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt (art. 295 lid 1 Fw, een en ander zoals nader uitgewerkt in art. 295 leden 2 tot en met 6 Fw). Teneinde de schuldenaar in staat te stellen tot het voldoen van de kosten van levensonderhoud en de vaste lasten, wordt van het inkomen en de periodieke uitkeringen die de schuldenaar verkrijgt, een zogenoemd ‘vrij te laten bedrag’ buiten de boedel gelaten (art. 295 leden 2 en 3 Fw). Indien de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling bovenmatige schulden doet of laat ontstaan, kan dat grond opleveren om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder ‘schone lei’, dat wil zeggen zonder dat de resterende schulden niet-afdwingbaar worden (art. 350 lid 3, onder d, Fw in verbinding met art. 358 leden 1 en 2 Fw). Waar de financiële middelen van de schuldenaar bij aanvang van de schuldsaneringsregeling in beginsel volledig in de boedel vallen en de schuldenaar meestal pas enige dagen of weken nadien de beschikking krijgt over het eerste vrij te laten bedrag, kan hij de kosten van levensonderhoud en de vaste lasten in de tussenliggende periode bezwaarlijk anders voldoen dan door het aangaan van nieuwe schulden. Dat is onwenselijk, gelet op de mogelijkheid dat de schuldenaar daardoor uiteindelijk geen schone lei zal krijgen.

4.2.3
Een vergelijkbaar probleem doet zich buiten de schuldsaneringsregeling voor indien op de bankrekening van een schuldenaar beslag is gelegd. De wetgever heeft hiervoor in art. 475a lid 5 Rv een regeling getroffen, die erop neerkomt dat van het saldo op de bankrekening een bedrag ter grootte van de toepasselijke beslagvrije voet buiten het beslag blijft. De regeling houdt met het oog op een eenvoudige uitvoering geen rekening met de tijdsspanne totdat de schuldenaar weer inkomen of een periodieke uitkering ontvangt. Uit de parlementaire stukken valt niet af te leiden waarom de wetgever voor de schuldsaneringsregeling niet ook in een dergelijke regeling heeft voorzien.

4.2.4
Gelet op de hiervoor in 4.2.2 geconstateerde onwenselijkheid dat de schuldenaar zich in de periode direct na toelating tot de schuldsaneringsregeling genoodzaakt ziet nieuwe schulden aan te gaan, moet ervan worden uitgegaan dat de bewindvoerder kan bepalen dat de schuldenaar een deel van de bij aanvang van de schuldsanering tot de boedel behorende financiële middelen niet hoeft af te dragen, voor zover dat noodzakelijk kan worden geacht om, zo lang de schuldenaar nog niet beschikt over het eerste vrij te laten bedrag, de kosten van levensonderhoud en vaste lasten te voldoen. Bij verschil van inzicht hierover kan de schuldenaar op de voet van art. 317 Fw verzoeken om een beslissing van de rechter-commissaris.


Meer informatie
- Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670