Afwijzing betalingsregeling toeslagen in strijd met wet

Bron: André Moerman
uur

Teveel betaalde toeslagen moeten standaard binnen 24 maanden worden terugbetaald. Wanneer dit vanwege de aanwezige betalingscapaciteit niet mogelijk is, kan om een persoonlijke betalingsregeling worden verzocht. Hiervoor geldt als extra voorwaarde dat de toeslagschuld niet mag zijn ontstaan vanwege opzet of grove schuld. De rechtbank Rotterdam oordeelt dat deze extra voorwaarde in strijd is met de wet.



Aanleiding

Betrokkene heeft € 8.790 teveel aan kinderopvangtoeslag ontvangen. Aangezien dit bedrag niet in een keer kon worden betaald heeft ze bij de belastingdienst om een persoonlijke betalingsregeling verzocht. Deze is toegekend onder voorwaarde dat het bedrag binnen 24 maanden moet worden terugbetaald. Concreet betekent dit ze € 367 per maand moet terugbetalen. Er is geen rekening gehouden met de betalingscapaciteit omdat de toeslagschuld volgens de belastingdienst is ontstaan als gevolg van opzet danwel grove schuld.
Aangezien betrokkene een bijstandsuitkering heeft en het bedrag ad. € 367 per maand niet kan betalen heeft ze via een bezwaarschrift een betalingsregeling van € 50 per maand voorgesteld. Nadat dit is afgewezen heeft ze vervolgens beroep aangetekend. De rechtbank Rotterdam oordeelt als volgt.


Beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een toeslagschuld van € 8.790 heeft die zij aan verweerder dient terug te betalen. Voorts is niet in geschil dat deze toeslagschuld is te wijten aan opzet danwel grove schuld van eiseres. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht heeft geweigerd een betalingsregeling met eiseres te treffen zoals door haar verzocht.

4.2. De rechtbank constateert dat het systeem van de wet inhoudt dat een toeslagschuld geheel moet worden terugbetaald. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan verweerder van terugvordering kan afzien. Kwijtschelding van het verschuldigde bedrag is derhalve niet mogelijk (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6322).

4.3. Het uitgangspunt is dat een toeslagschuld wordt terugbetaald binnen zes weken. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de geboden termijn dusdanig ruim is dat de belanghebbende die het niet zou lukken om de benodigde liquide middelen daarvoor vrij te maken, voldoende gelegenheid heeft zich te wenden tot de Belastingdienst/Toeslagen voor het maken van afspraken om het verschuldigde bedrag geholpen door een betalingsregeling te kunnen voldoen. Als de belanghebbende de gestelde termijn laat verstrijken zonder maatregelen te treffen terzake van de betaling, wordt hij geconfronteerd met dwanginvorderingsmaatregelen (Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 55).

4.4. De rechtbank leidt uit de Awir en de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever de voorkeur geeft aan vrijwillige betaling van een toeslagschuld. Betaling vindt plaats binnen zes weken óf door middel van een op verzoek van de belanghebbende getroffen betalingsregeling. In de wet noch in de totstandkomingsgeschiedenis van de Awir heeft de rechtbank argumenten aangetroffen die rechtvaardigen dat er bij het treffen van een betalingsregeling onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds belanghebbenden wiens toeslagschuld ‘te goeder trouw’ is ontstaan en anderzijds belanghebbenden wiens toeslagschuld ‘te kwader trouw’ (dat wil zeggen: door opzet of grove schuld) is ontstaan. Uit de wet kan enkel worden afgeleid dat pas als een toeslagschuld niet vrijwillig wordt voldaan, betaling wordt afgedwongen.

4.5. Om een vrijwillige terugbetaling te realiseren, dient er een reële betalingsregeling te worden getroffen met de belanghebbende. Dit impliceert dat er een betalingsregeling naar draagkracht wordt getroffen en dat er rekening wordt gehouden met de financiële situatie en de betalingscapaciteit van de belanghebbende. De rechtbank constateert dat in het geval van eiseres geen sprake is van een reële betalingsregeling. Eiseres heeft immers onweersproken gesteld dat zij maandelijks een bedrag van € 233,00 te besteden heeft. Eiseres is dus niet in staat om de maandelijkse termijnen van € 367,00 te voldoen. De betalingsregeling die thans aan eiseres is aangeboden leidt er dan ook toe dat zij direct zal worden geconfronteerd met een invorderingstraject als geregeld in artikel 32 van de Awir. Dit is in strijd met het systeem van de wet, in het bijzonder met het systeem van de Awir. Er is thans geen regeling voor belanghebbenden zoals eiseres, die een toeslagschuld die te wijten is aan opzet of grove schuld willen terugbetalen, maar niet de draagkracht hebben om de gehele schuld binnen 24 maanden af te lossen. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

4.6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de Uitvoeringsregeling Awir en de Leidraad buiten toepassing te laten. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij een reële betalingsregeling met eiseres te treffen waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van eiseres. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn vangt pas aan, nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

4.7. De rechtbank ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid zoals geregeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal het primaire besluit schorsen en de voorlopige voorziening treffen dat eiseres maandelijks € 50,00 op haar toeslagschuld aflost vanaf de datum van deze uitspraak totdat een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.


Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

schorst het primaire besluit vanaf de datum van deze uitspraak;

treft de voorlopige voorziening dat eiseres maandelijks € 50,00 op haar toeslagschuld aflost vanaf de datum van deze uitspraak totdat een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen;

draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en daarbij een reële betalingsregeling met eiseres te treffen waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van eiseres;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,00 aan eiseres te vergoeden.


Meer informatie
- Rb Rotterdam 17 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2804
- Zie ook Rb Den Haag 21 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:4830
- Achtergrondinfo persoonlijke betalingsregeling toeslagen


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn