
Illustratie: dehaasbe Pixabay
Wat er aan voorafging
X woonde vanaf 2021 in een verzorgingstehuis en ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met verblijf in een instelling. Betrokkene leed aan de ziekte van Huntington. Hij stond onder bewind. Op 1 juli 2021 heeft betrokkene bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 119,69 per maand.
In een rapportage van 11 augustus 2021, die naar aanleiding van deze aanvraag is opgesteld, staat dat volgens de Beleidsregels Bijzondere bijstand Coevorden voor de draagkracht in vermogen rekening wordt gehouden met al het vermogen dat hoger is dan de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. Aangezien betrokkene een vermogen heeft van € 2.754,01, in de vorm van banksaldi, en de bijstandsnorm voor hem € 358,47 per maand is, resteert een vermogen van € 2.395,54. Dit is voldoende om de kosten van bewindvoering te kunnen voldoen.
Zowel het bezwaar als het beroep bij de rechtbank is afgewezen. Hiertegen is hoger beroep aangetekend.
Welke regels gelden?
Bij een aanvraag bijzondere bijstand moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
In de Memorie van Toelichting staat hierover:
“Burgemeester en wethouders hebben in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit betekent dat zij zelf bepalen welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De vrijlatingsbepalingen ex artikel 34 (vermogen) zijn daarom niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand. Deze wet geeft de gemeenten ook op dit punt dus meer bevoegdheden dan de Algemene bijstandswet. Ook de vaststelling van de draagkracht in het inkomen van belanghebbende is een bevoegdheid van gemeenten. Overwegingen die bij de vaststelling van de draagkracht een rol kunnen spelen, betreffen de aard van de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd, eventuele buitengewone lasten van de belanghebbende en overige persoonlijke omstandigheden.”
Hoger beroep
Er is hoger beroep aangetekend, omdat betrokkene onvoldoende draagkracht heeft om de kosten van bewindvoering zelf te kunnen voldoen. Aangevoerd is dat het beleid van het college om voor de beoordeling van de draagkracht slechts een bedrag ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm vrij te laten in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beleid maakt ten onrechte onderscheid tussen de verschillende kostensoorten. Ook wijzen appellanten op het volgende. Betrokkene kreeg bijstand naar de instellingsnorm, waardoor slechts een gering deel van zijn vermogen wordt vrijgelaten in verhouding tot iemand die de alleenstaandennorm ontvangt. Als gevolg van zijn ziekte maakte betrokkene ongecontroleerde bewegingen waardoor soms dingen kapot gaan, zoals zijn televisie. Door toepassing van het beleid van het college met gevolg dat betrokkene de kosten van bewindvoering uit eigen middelen moest betalen, beschikte betrokkene niet meer over de middelen om bijvoorbeeld een nieuwe televisie aan te schaffen of om te reserveren voor een vakantie.
Beoordeling
De CRvB is van oordeel dat het college met de beleidsregel niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. In het beleid wordt voor de vaststelling van de draagkracht in vermogen een onderscheid gemaakt tussen kosten van bewindvoering en andere kosten. Voor kosten van bewindvoering wordt al het vermogen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm in aanmerking genomen, terwijl voor andere kosten de normale vermogensvrijlating geldt (destijds € 6.295).
Het college heeft toegelicht dat dit onderscheid om budgettaire redenen is gemaakt, omdat een groot deel van de totale gemeentelijke uitgaven aan bijzondere bijstand opgaat aan kosten van bewindvoering.
Volgens de CRvB:
“gaat het bij de beoordeling van de draagkracht uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager van bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. De in geding zijnde beleidsregel – waarmee voor een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in ongunstige zin wordt afgeweken van een aanvrager van bijzondere bijstand voor andere kosten – is echter niet gebaseerd op omstandigheden die betrekking hebben op het al dan niet zelf kunnen dragen van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, maar uitsluitend op het beheer van de gemeentelijke financiën. Daarom is het college met die beleidsregel buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden.”
Naschrift
Voor kosten van een curator, bewindvoerder en mentor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd. Aangezien de rechter al heeft vastgesteld dat de maatregel noodzakelijk is, staat volgens de Centrale Raad van Beroep de noodzaak van deze kosten vast. Het college van B&W heeft geen ruimte hiervan af te wijken en zelf de noodzaak te gaan beoordelen. Het college moet dan nog wel beoordelen of de kosten uit het inkomen en vermogen voldaan kan worden. De wijze waarop dit gebeurt verschilt per gemeente. Veel gemeenten hanteren de vermogensgrens die ook geldt voor algemene bijstand, voor alleenstaanden € 8.000 en gehuwden € 16.000 (2026). Er zijn ook gemeenten die een lagere grens hanteren en dat is geoorloofd. Waar deze uitspraak over gaat is dat er een verschil gemaakt wordt in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd: een lagere vermogensgrens voor kosten beschermingsbewind en een hogere vermogensgrens voor andere kosten. Daar zet deze uitspraak een streep door.
Er zijn ook gemeenten die bij de berekening van de draagkracht voor kosten beschermingsbewind meer inkomen in aanmerking nemen dan bij andere kosten. Bijvoorbeeld:
Het inkomen hoger dan dan 120% van de bijstandsnorm wordt in de draagkrachtberekening meegenomen, waarbij een onderscheid gemaakt wordt in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd:
- kosten beschermingsbewind: het meerinkomen wordt voor 100% meegenomen
- overige kosten: het meerinkomen wordt voor 35% meegenomen
Ook hier is het de vraag of er wel een redelijke grond voor dit onderscheid is. Hebben onder bewind gestelden minder kosten en meer te besteden dan andere mensen met eenzelfde inkomen? Daar zijn mi geen aanwijzingen voor.
De CRvB heeft in en andere zaak moeten oordelen of bij de draagkrachtberekening een vermogensvrijstelling van 2,5 maal de bijstandsnorm geoorloofd is. De gemeente maakte hierbij geen onderscheid in de kosten waarvoor bijzondere bijstand aangevraagd is. Volgens de CRvB is dit geoorloofd. Weliswaar leidt dit tot een lagere vermogensvrijlating bij mensen die in een instelling verblijven, maar dit sluit volgens de CRvB aan bij de leefsituatie en kostenpatroon van betrokkene.
Meer informatie